De reis van bloemen en planten naar Paleis Het Loo
In de paleistuin staan allerlei bijzondere bomen, planten en bloemen. Sommige komen uit Nederland en omstreken, anderen van de andere kant van de wereld. Welke planten komen van ver, en hoe maakten ze de reis?
Vandaag de dag zie je in de tuinen vooral planten die passen bij het historische beeld van toen Willem en Mary er woonden in de 17e eeuw. Veel van deze planten komen oorspronkelijk uit bijvoorbeeld het Midden-Oosten of Zuid-Amerika. Door ze in hun tuin te zetten, laten Willem en Mary zien dat ze een groot netwerk hebben en machtig en rijk zijn.
Een wereld van plantenkennis
In de tijd van Willem en Mary loopt de Republiek, het huidige Nederland, voorop in de kennis van planten en dieren. Al ruim voor hun tijd brengt Carolus Clusius in de 16e eeuw nieuwe soorten planten naar de Republiek. Uitgebreide plantencollecties worden opgebouwd in de botanische tuinen van Amsterdam en Leiden. Planten en bloemen worden tot in detail bestudeerd. Er verschijnen albums vol kleurrijke tekeningen en beschrijvingen. Mary heeft ook een paar van zulke albums in haar collectie, zoals je ziet in haar bibliotheek.
Zaden, brieven en internationale contacten
In de tuinen zijn allerlei exotische plantensoorten te vinden. Maar waar komen die vandaan? Een deel van de soorten vinden hun oorsprong in Afrika, Azië en Amerika. Vooral na de stichting van Nederlandse koloniën bij Kaap de Goede Hoop (1652) en Suriname (1667) en Ceylon (1658) neemt de invoer van exotische planten en bloemen in de Republiek, huidig Nederland, toe. Nederlandse schepen varen de wereld over, op zoek naar specerijen, kostbaarheden en, minder bekend, bijzondere planten en zaden. Deze worden verzameld door botanici en zeevaarders en komen via allerlei routes terecht in Nederland.
Soms komen de zaden via contacten met deze botanici binnen en soms gaan ze rechtstreeks naar Willem en Mary. Willem heeft bijvoorbeeld een goede relatie met Gaspar Fagel. Hij is raadspensionaris van Holland, en net als Willem verzamelt hij exotische planten. Wanneer Gaspar Fagel in 1688 overlijdt, koopt Willem zijn plantencollectie op. Hij neemt ze mee op reis naar de tuinen van zijn Engelse paleis Hampton Court.
Willem geeft ook specifieke opdrachten aan de mensen die hij kent. Wanneer Hendrik Adriaan van Reede tot Drakestein in 1684 voor de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) naar Nederlands-Indië reist, vraagt Willem hem om een aantal planten mee te nemen. Voor planten uit Suriname stuurt hij plantenverzamelaar Johannes de Haen op pad.
De lange reis naar Nederland
De boottocht van Amerika of Azië naar Nederland duurt in de 17e eeuw maandenlang. Het is bijna onmogelijk om levende planten of stekken te vervoeren. Er is namelijk te weinig licht in het ruim en te weinig zoet water. De planten kunnen niet tegen het zoute zeewater op het dek. Het is makkelijker om zaden te vervoeren, maar ook die overleven de reis lang niet altijd. De zaden kunnen gaan rotten door het vocht aan boord, of worden opgegeten door muizen, ratten of insecten.
Als de zaden levend aangekomen in Nederland, moeten ze worden opgekweekt. Omdat het klimaat in Nederland anders is dan het klimaat in bijvoorbeeld Zuid-Amerika, maken de tuinlieden gebruik van oranjerieën, dat zijn gebouwen met grote ramen op het zuiden en soms kachels. Zo overleven tropische planten zoals bloemriet (Canna indica) de winter.
De planten in de paleistuinen vertellen een verhaal van reizen, uitwisseling en ontdekkingen. Tegelijkertijd zijn veel van deze planten verbonden met het koloniale verleden en de wereldwijde handelsnetwerken van hun tijd. Paleis Het Loo onderzoekt deze verbondenheid actief en belicht in presentaties en collecties de sporen van kolonialisme.