De dagen worden korter en de temperatuur daalt. De planten en bomen bereiden zich voor op de winter. Ook de tuindienst van Paleis Het Loo treft zijn voorbereidingen. Veel planten die in de zomer schitteren in de barokke paleistuinen kunnen niet goed tegen de kou, omdat ze oorspronkelijk op een veel warmere plek groeien. De tuindienst werkt daarom hard om alles veilig te houden van vorst en kou. Zo blijft de tuin behouden voor volgende generaties.
Tuinwerkzaamheden van vroeger en nu
De zorg voor de tuinen van Paleis Het Loo is een eeuwenoude traditie. Met het verstrijken van de tijd, veranderen ook de tuinwerkzaamheden. Toch blijven sommige dingen hetzelfde. Wat gebeurt er in het najaar in de tuinen? Hoe verschilt het werk van de tuindienst nu met het werk van vroeger?
Bomen
De paleistuinen zijn teruggebracht naar de 17e-eeuwse vormen, maar een aantal grote bomen herinneren aan de tijd waarin de tuinen van Paleis Het Loo er heel anders uitzien. In het najaar kleuren de bladeren geel, oranje en rood. Vooral de gele tulpenboom in de boventuin valt op. De bladeren verkleuren omdat de bomen het bladgroen (chlorofyl) zoveel mogelijk uit de bladeren halen. Zo bereiden ze zich voor op de winter. Alleen de andere stoffen, die de typische herfstkleuren hebben, blijven over. Wanneer de bladeren bruin en uitgedroogd zijn, vallen ze op de grond. De tuindienst haalt het blad uit de parterres en van de paden. Sommige bladeren worden gecomposteerd en later gebruikt als voeding voor de tuin.
De herfst is ook de tijd om sommige bomen te snoeien. Met een hoogwerker wordt de berceau in de koninginnetuin gesnoeid. Door de haagbeuken twee keer per jaar te snoeien (in de winter en in de lente), behoudt de loofgang haar vorm en blijft het bladerdak in de zomer dicht.
Zaden en bollen
De bloemen die in de zomer zijn bestoven door insecten, maken nu zaden. In de natuur zouden deze zaden op de grond vallen en volgend jaar uitgroeien tot een nieuwe plant. In de tuinen van Paleis Het Loo worden sommige zaden verzameld en later weer achter de schermen voorgezaaid. Uitgebloeide planten worden weggehaald om plaats te maken voor de voorjaarsbloeiers.
Bollen van voorjaarsbloeiers zoals keizerskronen en narcissen worden voor de eerste nachtvorst in de grond gezet. Zo kunnen ze wortels maken en na de winter zo snel mogelijk gaan bloeien. De bollen worden niet in een groot veld gezet, maar in groepjes van vijf bij elkaar. Op die manier zijn er niet te veel bollen nodig. Voorjaarsbloeiers zoals tulpen zijn in de 17e eeuw namelijk erg duur. Door de bloemen genoeg ruimte te geven, kun je in de lente van elke bloem genieten.
Kwetsbare planten naar binnen en buiten
In de herfst houdt de tuindienst het weer goed in de gaten om de planten zo lang mogelijk buiten te houden. Halverwege oktober worden de kwetsbare planten naar de Oranjerie gebracht om beschermd te worden tegen de kou. Daar blijven ze overwinteren tot halverwege mei. Wanneer de IJsheiligen voorbij zijn is de kans op nachtvorst heel klein. Dan kunnen de planten weer veilig naar buiten.
Een voorbeeld van kwetsbare bomen zijn de sinaasappelbomen. Deze bomen kunnen absoluut niet tegen vorst. Ook laurierbomen verdragen geen strenge winters. En het is belangrijk dat deze bomen goed beschermd worden. Ze zijn een bijzonder onderdeel van de historische tuincollectie van Paleis Het Loo. Sommigen van deze bomen zijn meer dan 300 jaar oud. De oudste sinaasappelboom in de collectie dateert van rond 1700. Deze boom staat in de zomer nog steeds in de tuin. Het beschermen van deze bomen tijdens de winter is daarom belangrijk.
Het transport
Het transport van de planten gebeurt in het verleden met draagjukken. Jukken of draagbomen worden met de armen naar beneden door twee mensen gedragen. Zo worden planten vroeger handmatig vervoerd. De bomen waren toen natuurlijk nog een stuk jonger en kleiner.
Later worden hiervoor paard en wagen gebruikt. Dit is gebruikelijk tot ver in de 20e eeuw. De sinaasappelbomen worden in die tijd met een antieke wagen (de ‘kuipenkar’) getransporteerd. Dat gebeurt met stevige rij- en werkpaarden. De paarden staan in verschillende stallen en worden ook gehouden op de boerderij van Paleis Het Loo in het park. Daar is ruimte voor het stallen van de werkpaarden. Ook wordt daar mest verwerkt die daarna weer in de broeibakken gebruikt wordt. Dankzij die broeibakken kunnen planten heel vroeg in het voorjaar worden opgekweekt.
Tegenwoordig gebeurt het transport met moderne middelen zoals tractoren. Door de eeuwen heen blijft het proces van het naar binnen halen van kwetsbare beplanting dus hetzelfde. De middelen waarmee dit gedaan wordt, veranderen wel.
De Oranjerie: vroeger en nu
De oorspronkelijke Oranjerie bevindt zich aanvankelijk in het paleis. Specifiek in de oostvleugel. Dat is nu nog te zien aan de hoge ramen aan de zuidkant van de oostvleugel. De locatie in het paleis maakt het in die tijd relatief eenvoudig om de planten naar binnen en buiten te verplaatsen. Naarmate de transportmogelijkheden verbeteren, wordt de oranjerie verplaatst. Onder koning Lodewijk Napoleon wordt een nieuwe oranjerie gebouwd. Die staat ten zuiden van het paleis In de vroege 20ste eeuw wordt een nieuwe oranjerie ten noordoosten van het paleis gebouwd, vlak bij de kassen. Deze staat er nu nog.
Klimaatverandering
Met het veranderende klimaat verandert ook de manier waarop planten in de winter beschermd en verzorgd worden. Vijgenbomen langs de muren van de tuin moesten vroeger worden ingepakt met stro en rietmatten tegen de vorst. In de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw was dit standaardpraktijk. Tegenwoordig is dat niet meer nodig vanwege de mildere winters.
Fonteinen en waterbeheer
De kunstwerken in de tuin worden ook beschermd tegen weer en wind. In het najaar worden de fonteinen drooggelegd om schade door vorst te voorkomen. Nu is het mooie mozaïekwerk op de fonteinbodems goed te zien. De mozaïeken hebben dezelfde vormen als de parterres in de boventuin. Naast drooglegging worden de leidingen zorgvuldig droog geblazen om te voorkomen dat ze bevriezen.
In de tijd van Willem en Mary worden de fonteinen ook voorbereid op de winter. Met behulp van sluisjes en schuiven wordt in de 17e en 18e eeuw het water afgevoerd richting de IJssel. Het watersysteem wordt afgesloten en veiliggesteld door de fontenier. Deze technieken zorgen ervoor dat de fonteinen tot ver in de 18e eeuw kunnen blijven werken. De leidingen lagen zo diep onder de grond dat de in de winter niet bevroren.
Potten
Ook kwetsbare potten moeten worden beschermd tijdens de winter. Steen en keramiek kan barsten als het nat is en bevriest, want dan zet water uit. Daarom gaan de Delfts aardewerken potten vaak al in oktober naar binnen. De terracotta potten kunnen meer vorst verdragen. Toch worden ook die opgeborgen, vanwege het winterweer en om te voorkomen dat er groene aanslag op komt.
Tuinbeelden
De tuinbeelden blijven op hun plek, maar worden ingepakt met een tentdoek. Het tentdoek wordt gespannen over een aluminium frame. Hierdoor kan er nog wel lucht bij, maar zijn ze beschermd tegen de regen en de ergste vorst. De beelden worden goed worden vastgezet om beschadiging door het weer te voorkomen. Vroeger werden houten kisten gebruikt in plaats van tentdoeken. De winters waren toen strenger dan nu. Daarom werden de kisten gevuld met sparrentakken: een soort isolatielaag. Dat is nu niet meer nodig.
Door de eeuwen heen verandert de winterzorg voor de tuin. Maar veel blijft hetzelfde. Zo ook het doel: het beschermen van de tuin voor toekomstige generaties. In alle seizoenen.