Al bij binnenkomst begroeten vier spuitende, marmeren dolfijnen de bezoekers die door het hek naar de ingang lopen. Dit is de dolfijnensprong: de eerste impressie en het laatste dat je ziet wanneer je het paleis verlaat. Maar de dolfijnen die vandaag spuiten zijn niet dezelfde als die koning-stadhouder Willem III ooit liet plaatsen. Om het oorspronkelijke beeld te behouden, is een replica van Italiaans marmer gemaakt. Deze is in de zomer van 2026 teruggeplaatst op het voorplein. Aan de totstandkoming van deze replica gaat een bijzonder verhaal vooraf: een inkijkje in de keuzes die gemaakt worden om cultureel erfgoed te beschermen en behouden.
Dolfijnensprong
Wat opvalt in de beschrijvingen van Paleis Het Loo uit de tijd van Willem III, is de grote waardering voor waterwerken, zoals kanalen, cascades en fonteinen. Bij de bouw van het paleis en de tuinen is dan ook gebruik gemaakt van de hogere ligging ten opzichte van vijver en sprengen om deze waterwerken uit natuurlijke bron te laten werken.
Nadat de stadhouder en zijn vrouw Mary II Stuart tot koning en koningin van Engeland, Schotland en Ierland worden gekroond in 1689, is het paleis te klein en niet meer geschikt voor de nieuwe koninklijke status van het koppel. Daarom wordt Paleis Het Loo opnieuw verbouwd. Tijdens de tweede verbouwing wordt midden op het voorplein van het paleis de marmeren dolfijnensprong geplaatst. De sculptuur, mogelijk ontworpen door Romeyn De Hooghe, bestaat uit vier fantasievolle zeedieren waarvan de staarten door elkaar zijn gevlochten. Het beeld is bedoeld als versiering van een hardstenen drinkbak voor de paarden uit de stal in de westvleugel.
Afwezigheid en terugkeer
De fontein staat honderd jaar onveranderd op deze plaats. In 1795 valt het Franse leger Nederland binnen en plundert het paleis. Vanaf 1806 woont Lodewijk Napoleon, de broer van Napoleon Bonaparte, op Paleis Het Loo. Hij laat het uiterlijk van het paleis ingrijpend veranderen: het paleis wordt wit gepleisterd en de baroktuin verdwijnt. Eeuwen later, rond 1972, wordt het beeld tijdens opgravingen teruggevonden in de buurt van het paleis en teruggeplaatst.
Onvermijdelijke vervanging
De 17e-eeuwse, teruggevonden dolfijnensprong heeft tot de zomer van 2026 op het voorplein gestaan. Toch bleek vervanging van het originele beeld de enige oplossing om het te beschermen. De originele dolfijnensprong heeft last van slechte afwatering; water loopt bijvoorbeeld in de neusgaten van de dolfijnen en zakt in holtes waar het ’s winters bevriest en uitzet wanneer het beeld niet afgedekt wordt. Dat veroorzaakt schade die niet meer terug te draaien is. Je kunt barsten wel vullen,” vertelt Charles de Smet, restaurator van Paleis Het Loo, “maar de steen blijft kwetsbaar.’’
Bovendien reageert wit marmer, het materiaal waarvan de oorspronkelijke dolfijnensprong is gemaakt, heftig op vervuiling, UV-licht en vocht. De kristalstructuur in de steen breekt langzaam af, een proces dat versuikering wordt genoemd. Vooral op scherpe randen en fijne details wordt dat als eerste zichtbaar. ‘’Elke winter verlies je meer details. Hoe langer je wacht, hoe meer je kwijtraakt.’’ Daarom is gekozen het origineel in optimale conditie te bewaren voor de toekomstige generaties en een replica op het voorplein te zetten.
Replica van een meesterwerk
Waar begin je? Hoe repliceer je een kunstwerk dat ooit met meesterhand werd gemaakt?
Volgens de steenhouwers van Meesters In begint dat proces altijd bij één leidraad: de restauratieladder. Die bepaalt de volgorde waarin je te werk gaat: onderhoud, restauratie, en pas als het echt niet anders kan: het maken van een replica. Hierbij volgt nog een subtiele, maar wezenlijke tweedeling. Eerst zo exact mogelijk kopiëren. Daarna imiteren: het recreëren van het precieze uiterlijk dat een beeld uniek maakt.
De werkplaats
Wie de werkplaats van Meesters In binnenstapt, ziet meteen de enorme CNC-frees staan: een krachtig apparaat dat met precisie de grote blokken marmer voor de replica van de dolfijnsprong vormgeeft. De frees doet het grove werk: het weghalen van grote volumes steen, het schetsen van contouren en het benaderen van de vorm. Als de machine klaar is, staat er al bijna een herkenbare dolfijnensprong. De vorm van de boog van een vin en de ronding van een kop zijn al te zien.
Beeldhouwen
Dat is het moment waarop de beeldhouwer aan zet is. De beeldhouwer werkt met diamantvijlen, hakhamers, schuurblokken en vooral met de ogen en handen. De beeldhouwer ziet dingen die een machine niet ziet; een onverwachte holte, een asymmetrische schub of een kleine beschadiging gekomen met de jaren.
Bij het afwerken komt veel kijken. Het is precies, intens en vraagt om geduld. “Je moet elk detail raken,” zegt de beeldhouwer van Meesters In terwijl hij met bijna tedere beweging een schub bijwerkt. “En je moet oppassen dat je niks afbreekt. Het materiaal is fijner dan je denkt.”
Soms moet het beeld op zijn kant gelegd worden om ergens bij te kunnen, dan weer moet een blok hardsteen eronderuit worden gehaald, of moeten gaten worden geboord voor bevestiging. Alles gebeurt stap voor stap.
Steenhouwen
Hoewel veel werk met moderne machines gebeurt, blijft de kern van het vak hetzelfde als eeuwen geleden. Waar vroeger leerlingen het grove hakwerk deden, doet nu de frees dat. Het fijne werk, het bepalen van de laatste millimeters die het beeld karakter geven, is nog steeds volledig handwerk.
Ook de verschillen tussen steenhouwen en beeldhouwen worden hier tastbaar. Steenhouwen draait om lijnen, vlakken en radius. Beeldhouwen draait om vrije vormen, om volume, om het begrijpen van een kop of een vin vanuit alle richtingen. “Een steenhouwer raakt de weg kwijt als er geen lijnen meer zijn,” grapt de beeldhouwer. “Voor een beeldhouwer begint het daar juist.”
Een toekomst voor de Dolfijnensprong
Wat in de werkplaats ontstaat, is niet zomaar een kopie. Het is een replica van het vakmanschap van eeuwen geleden, gemaakt met het vakmanschap van nu. Met het origineel beschermd tegen verdere afbraak is het nieuwe beeld klaar om weer generaties bezoekers te verwelkomen. De dolfijnensprong krijgt een tweede leven.